Column Frieda Joris: 'Het achterpoortje'
Schrijf ons!
Stuur uw reactie op artikels uit het tijdschrift Leven naar de brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.
Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.
Tekst uit Leven 28, oktober 2005
Met een smak ben ik bij mijn laatste controle met mijn voeten weer op de grond gekomen. Voor een stap terug in een tijd, in die nachtmerrie die ik definitief achter mij waande. Ik zat plotsklaps weer met een infuus in de arm in de dagkliniek van de chemotherapie. Gelukkig niet voor een nieuwe kwaadaardige woekering maar omdat de scanner bij controle mijn botten in slechte staat aantrof. Osteoporose, nog iets waarvan ik dacht dat het mij nooit zou overkomen. Kaas en yoghurt staan immers dagelijks op mijn menu, vanwaar dus die plotse botontkalking met 'gevaar voor breuken'? Maar bon, liever dat dan dat andere. Ik vergat even dat ik waar het mijn gezondheid betreft, mezelf beloofd heb geen vragen meer te stellen over oorzaak en gevolg. Omdat in het verleden de logica me lelijk in de steek heeft gelaten. Tussen wat er op mijn bord komt en de kanker die aan mijn borst knaagde, stonden ook wetten in de weg waar ik geen vat op had.
'We geven je onmiddellijk een paardenmiddel', kreeg ik in het dokterskabinet te horen. Raar, ik was binnengekomen met forse stap maar liep ineens op eieren. Onzeker als op een zwalpend schip sukkelde ik naar de wachtzaal. Tachtig jaar oud, bang met mijn broos gebeente te struikelen over een losse tegel of een verdwaalde voet. Flauw, ik weet het, maar het was sterker dan mezelf.
De hoofdverpleegster van oncologie kende me nog, van onze intensievere contacten vroeger. 'Heb je je poortje nog?' vroeg ze vriendelijk en bezorgd. Ik was even in de war. Dacht in een flits aan de achterdeur waarlangs onze poes naar het heet zinken dak sluipt. 'Tiens, weet ze dat nog', twijfelde ik, tot mijn euro eindelijk viel. De lieve dame in gesteven smetteloos wit had het niet over de toegang tot onze tuin maar over de onderhuids ingenaaide katheter waarmee ik vier jaar geleden de reddende scheikundige substanties ingepompt kreeg. Ik was dat hele binnenpoortje verdorie vergeten! Ik had het ding zo snel het mocht laten verwijderen. Bijna symbolisch, in de hoop en overtuiging het nooit meer nodig te hebben. Het enige wat voor altijd blijft, is een fijn wit litteken. Ik heb geleerd ernaast te kijken.
Het nieuwe infuus volgde dan maar de gewone weg via een ader in mijn linkerarm die op de leuning van de zetel rustte. Twee van de bedden in de kamer waren bezet. Door vrouwen die nog wel een eigen poortje hadden en helaas ook nog volop tegen kanker vochten. De ene lag met een bleek en mager gezicht te slapen, de andere was er beter aan toe en lachte zelfs. Ik zat er een beetje verlegen bij. Als een buitenstaander en toch ook weer niet. Ik wist wat zij wisten. Ik voelde weer wat zij voelden.
Nadat de laatste druppel in mijn ader was gevloeid, mijn arm losgekoppeld werd en ik weer buiten in de zon stond, voelde ik me opgelucht en weer beresterk. Als een gevangene die voor het eerst in jaren de frisse buitenlucht inademt, klaar om alles en iedereen om de hals te vallen. Ik vergat zelfs dat ik met hoge hakken tussen de stenen wiebelde en dronk 's avonds een glas op mezelf en de anderen in de dagkliniek. Baat het niet, dan schaadt het niet. Gezondheid!



