LinksSitemapContact
U bent hier:

Hoe reageert de omgeving op kanker?

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit het tijdschrift Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.

Woorden van troost, een bemoedigend schouderklopje, gewoon laten weten dat je er bent. Vrienden en familie kunnen een belangrijke steun zijn als je kanker hebt. Die steun heb je nódig, verwacht je ook. Maar soms laten je dierbaren het juist afweten.

Tekst: An Van de Velde, uit Leven 32, oktober 2006

"Ik had veel dierbare vrienden, dacht ik, tot ik kanker kreeg." Lisiane Pandey (55) is niet te spreken over het onbegrip in haar omgeving. "Van je vrienden verwacht je dat ze er zijn als je hen nodig hebt, je verwacht bezorgdheid en medeleven. Maar op het moment dat je hen nodig hebt, haken ze af. Daar ben ik kwaad om geweest, ik heb er nog altijd moeite mee."

Bang

Twee jaar geleden kreeg Lisiane na een controleonderzoek te horen dat ze borstkanker had. Gelukkig was de kanker nog in een beginstadium. Ze had een goede prognose, maar het woord "kanker" was wel gevallen. En dat komt altijd hard aan.
Lisiane Pandey: "Ik was bang, ja. Ik onderging een borstsparende operatie. Een dag na de ingreep was ik al weer thuis. "Het zal wel zo erg niet zijn zeker", hoor je mensen dan denken. Ik heb geen chemotherapie gehad, geen bestraling, ik ben mijn haar niet verloren. Ik zag er niet ziek uit, maar ik had wél kanker. Wat als ik het toch niet zou halen? Ik was al alles aan het regelen voor mijn kinderen, voor mijn man. Mijn moeder heeft een paar jaar geleden borstkanker gehad en een vriendin is er aan overleden. Ze zeggen wel: "je komt er door". Maar er zijn er toch ook die het niet halen."

Vriendendienst

Waar Lisiane vooral moeite mee had, waren de reacties uit haar omgeving: van mensen die haar angst wegwuifden tot het andere uiterste: "Oei, kanker, hoe lang heb je nog?"
Lisiane Pandey: "Of ze kwamen aandraven met wilde verhalen van kennissen die aan kanker waren overleden. Daar heb je op dat moment géén behoefte aan. Wat je nodig hebt, is een beetje menselijkheid."
"Iedereen kent wel iemand in zijn omgeving met kanker. Het taboe is weg, denk je. Maar er bestaan nog veel misverstanden. Op een dag hadden we kennissen op bezoek met een baby. Ik mocht dat kind niet aanraken, alsof ik radioactief was. Het ís niet besmettelijk hoor."
"Sommige mensen lieten ook gewoon niet van zich horen. Geen bezoekje. Geen telefoontje. Niets. Zelfs goede vrienden lieten het afweten."
"Ik heb mijn vrienden leren kennen, het kaf van het koren leren scheiden. Sommige mensen wil ik liever niet meer zien. Misschien denk ik daar binnenkort anders over, maar ik heb tijd nodig om hun reacties te verwerken. Ze hebben mij als een baksteen laten vallen. Waarschijnlijk niet met opzet, ik wil niemand veroordelen. Maar op dat moment denk je maar één ding: waar ben jij nu, mijn beste vriend?"
"De vrienden aan wie ik echt iets gehad heb, kan ik op één hand tellen. Sommige van hen wonen dan nog in het buitenland. Gelukkig is er telefoon en internet. Ik heb een vriendin in Amerika, we mailden bijna dagelijks. Haar moeder heeft strottenhoofdkanker en kan al drie jaar niet meer gewoon eten of drinken. Toch houdt ze de moed er in. Aan haar trok ik mij op: als zij dat kon, dan ik ook. De vrienden die er wel waren, vergeet je nooit."

Schatten van mensen

Ook op haar gezin kon Lisiane rekenen. Al wisten haar man en haar twee volwassen zonen wel niet altijd hoe ze moesten reageren: "Het blijven mannen, hé. Mijn kinderen durfden geen vragen stellen. Alles was goed verlopen, veel hebben we er verder niet over gepraat. Ik voelde hun angst als ik erover begon, dus hield ik mijn mond. En mijn man bleef gewoon doorgaan, alsof er niks aan de hand was. Hij had het er moeilijk mee, dat zag ik wel. Het heeft ook weken geduurd vooraleer hij naar mijn borst durfde te kijken, hoewel er enkel dat fijn rood litteken was."
Lisiane heeft uiteindelijk veel gehad aan gesprekken met de mensen van de Vlaamse Kankertelefoon en aan de koffiemomenten in het VLK-inloophuis van Leuven: "Ik ontmoette er wildvreemde mensen met kanker en de vrijwilligers belden mij geregeld om te vragen hoe ik mij voelde, of ik hulp nodig had. Fantastisch, vond ik dat. Zo ben ik ook te weten gekomen dat sommige reacties heel normaal zijn. Er zijn veel mannen die onverschillig lijken, omdat ze zich sterker willen voordoen dan ze zijn. Oef, denk je dan, het ligt niet aan mij. De vrijwilligers zijn schatten van mensen. Ze hebben mij er echt bovenop geholpen. Ik heb de draad weer opgepakt. Ik kan verder."

Dhana De Ville (Foto: Eric de Mildt)Psychologe Dhana De Ville:
"Vaak hebben mensen het zelf moeilijk om met kanker om te gaan."

Van familie en vrienden verwacht je dat ze je steunen, maar dat draait soms anders uit. De diagnose "kanker" maakt ook bij hen grote emoties los. Dhana De Ville, psychologe op de dienst medische oncologie van het UZ Gent: "In nood leer je je vrienden kennen, ja. Kanker zet je leven op zijn kop. Alles komt op losse schroeven te staan. Op dat moment heb je houvast nodig, stabiliteit in de chaos. Als mensen dan onvoorspelbaar reageren of vrienden het laten afweten, mag je boos zijn of teleurgesteld. Zelfs al heb je een goede prognose en zie je er goed uit, zoals Lisiane. Schijn bedriegt. Kanker blijft een confrontatie met je eigen sterfelijkheid. Het zit niet alleen in je lichaam."

Waarom laten mensen het juist dan soms afweten?
Dhana De Ville:
"Soms zijn mensen inderdaad onverschillig, maar meestal kunnen ze zélf niet met de ziekte omgaan. Kanker confronteert ons met onze eigen kwetsbaarheid. Het dwingt ons om stil te staan. Voor veel mensen is dat niet evident. Anderen laten aanvankelijk niets van zich horen omdat ze zich niet willen opdringen. Wij Belgen zijn altijd een beetje discreet, en vanuit dat respect misschien te terughoudend. Of mensen durven geen contact opnemen, omdat ze niet weten wat te zeggen."

Hoe ga je als patiënt het best om met die reacties?
Dhana De Ville: "Als mensen komen aandraven met indianenverhalen of over hun eigen problemen beginnen, mag je gerust "neen, dank u!" zeggen. Krop het niet op, dat vreet energie. "Ze zijn het niet waard", zeg je misschien, maar het blijft toch wel hangen. Dan is het beter hen erover aan te spreken. En mensen die niets van zich laten horen gewoon op te bellen. Ook al is het niet vanzelfsprekend om zélf de eerste stap te zetten. Als de ziekte langer aansleept, neemt de aandacht meestal af. Maar het is niet omdat mensen minder van zich laten horen, dat ze je vergeten zijn. Als ze beloofd hebben er te zijn, moet je ze durven aanspreken, ook al is dat maanden later. Ik merk vaak dat patiënten meer leren opkomen voor zichzelf, en dat is goed."

Hoe ga je als "omgeving" het best om met kankerpatiënten?
Dhana De Ville:
"Mensen hebben geen behoefte aan medelijden, wel aan medeleven. Heel belangrijk is dat je nadenkt hoe je zelf behandeld zou willen worden. Vraag de patiënt hoe je kan helpen. Als je echt niet weet wat te zeggen, is het soms ook beter te zwijgen. Of gewoon toe te geven dat je sprakeloos bent. Laat in elk geval weten dat je er bent. Stel het ook niet uit. Na een tijdje durf je misschien niet meer, omdat je zolang niets van je hebt laten horen. Vaak heb je het gevoel dat je iets moet zeggen of doen, maar ook een kleine attentie kan veel betekenen: een kaartje, een bloemetje, een potje soep. Of samen een terrasje doen en het over andere dingen hebben. Van mens tot mens, het hoeft zeker niet altijd over kanker te gaan."

Naar het verhalenoverzicht