LinksSitemapContact
U bent hier:

Modeontwerpster Kaat Tilley: schoonheid als wapen

Meer info

Omringd door haar prachtige jurken blikt kledingontwerpster Kaat Tilley terug op haar worsteling met die smerige ziekte: "Van negativiteit en lelijkheid schoonheid maken. Nachtmerries in dromen vertalen. Dat is wat ik doe. En dat heb ik ook met mijn lymfeklierkanker gedaan." Uit de winkelradio spat het popliedje 'Survivor'. Alsof Radio Donna meeluistert naar deze van levenslust zinderende grand lady van 's lands modewereld.

Tekst: Marc Peirs, uit Leven 19, juli 2003

"Ik geef het slechte voorbeeld, ik weet het. Normaliter moet ik eens per jaar op controlebezoek en ik laat dat al drie jaar achterwege. Ik rook, doe nauwelijks sport en ik ben ook al geen fanaticus als het op gezonde voeding aankomt (lacht). Maar: ik maak het goed, dank je. Verdient dat een 'proficiat'? Ik weet het niet. Kanker overleven heeft zeker te maken met je innerlijke kracht die je helpt er tegenaan te gaan. Maar je hebt ook een dosis puur geluk nodig. Ik heb levenslustige, krachtige mensen gezien die hard hebben gevochten en het toch niet hebben gehaald. Geluk of pech, we hebben er geen vat op."

"Het was mijn man die me het slechte nieuws meldde. Kanker. Hodgkinlymfoom. De woorden regenden op me neer als rotsblokken. Ik zag niets dan een afgrond. Het einde van alles. Dat is nu 14 jaar geleden. Net op een moment dat er mij een weelde aan schoonheid te beurt viel!
Op 1 januari 1989 opende mijn eigen winkel de deuren - een beminde droom werd waar. Op 13 januari werd mijn tweede dochtertje geboren. En amper twee weken later: je hebt kanker. Exit, al dat mooie en goede, dacht ik. Ik ben in huilen uitgebarsten. Een uur? Twee uur lang? Doodsbang was ik. En kwaad. Ik was niet klaar om het leven te verlaten. Toen kwam de mentale klik: 'Ik ga hier niét onderdoor. Dit ga ik niet accepteren.' Dat was een echt besluit, ja, een wilsbeslissing. Ik richtte mijn hoofd op en stond op om naar een feest te gaan. Sinds dat moment heb ik het hoofd nooit meer laten hangen. Nooit."

"Chemotherapie heb ik niet gehad. Bestraling wel. Er waren enkele nare bijwerkingen: haaruitval, misselijkheid soms. Ik zag er grauw uit en mijn huid was zo poreus dat ik alleen pure natuurlijke kledij kon dragen. Maar in mijn herinnering maakte ik me daar allemaal geen te grote zorgen over. Ik probeerde die behandeling op een zo aangenaam mogelijke manier te beleven. Mijn oudste dochtertje, toen vijf, ging telkens mee naar het ziekenhuis. Dat waren best fijne bezoeken. Er was een warm contact met de artsen en de verpleegkundigen. Soms sloegen we een praatje onder patiënten. Ik was, als late twintiger, verreweg de jongste van het stel."

"Jonge mensen gaan anders om met de ziekte, daar ben ik van overtuigd. Wie jong is, heeft nog zoveel plannen, zoveel energie... Daar put je kracht uit om te vechten. Als je ouder wordt - ik merk dat nu zelf - ben je rustiger, meer in balans. Dat is goed. Maar je relativeert gemakkelijker en dat maakt het moeilijker om er tomeloos tegenaan te gaan. Bovendien ben je al wat geblutst door het leven. In de strijd tegen kanker vond ik dat een nadeel. Voor mij was het in elk geval een enorme krachtbron dat ik er zelf van overtuigd was dat mijn verhaal nog niet uitverteld was."

"Het ergste was de pijn van mijn geliefden te zien. Zeker mijn moeder leed zichtbaar, en dat sneed door mijn hart. Mijn vader kon zijn pijn beter verstoppen. Hij stond pal naast me. Altijd. Wat hij ook kon doen, hij was paraat. De manier waarop hij met me omging, vulde me met moed en kracht. Met Frank, mijn man, lag het moeilijker. Op sommige momenten steunde hij me prachtig. Maar op een bepaald ogenblik deed hij alsof de ziekte niet bestond. Hij duwde het van zich af - ongetwijfeld uit angst. Ik reageerde soms panisch: 'Gaat hij me achterlaten of wat?', spookte het door mijn hoofd. Dat was zwaar."

"Ik heb nooit toegelaten dat Hodgkin mijn leven dirigeerde. Thuis, tegenover de kinderen, gedroegen Frank en ik ons zo normaal als mogelijk. Het gezinsleven ging gewoon door. Ik bleef ook de hele tijd werken, zij het in een rustiger tempo. De ploeg heeft me énorm gesteund. Iedereen probeerde zoveel mogelijk de praktische en administratieve beslommeringen van me weg te houden. Ik kon me helemaal concentreren op het ontwerpen. Heerlijk (lacht). Ik kon minder, maar ik was blij met al wat me restte."

"Soms was ik zwak of moedeloos, maar geen moment heb ik eraan gedacht om er de brui aan te geven. Negativiteit gaat bij mij via een zijdeurtje naar buiten. Ik heb geen zin om me daarin te wentelen. Mijn streefdoel is om dromen werkelijkheid te laten worden. Om negativiteit te vertalen in iets goeds. Ik ben natuurlijk niet blind voor het negatieve, integendeel. Als je mijn schetsboeken bekijkt, dan zie je dat mijn ontwerpen vaak vertrekken van iets lelijks. Ik heb bijvoorbeeld een collectie gemaakt gebaseerd op littekens. Littekens lijken op het eerste gezicht lelijk. Maar als je doordenkt, kan je een litteken zien als iets positiefs: een aansporing om een begane fout niet opnieuw te maken, tegelijkertijd een signaal dat je een nare ervaring hebt overleefd. Een andere keer nam ik het menselijke gebeente als inspiratiebron. Een geraamte is niet meteen het zinnebeeld van schoonheid (lacht) maar neem het weg en de mens stort letterlijk in elkaar. Lelijkheid transformeren tot schoonheid, zo denk ik na over mijn collecties. Ik wil niet zomaar mooie kleertjes maken, ik wil dat verháál vertellen."

"Zo heb ik ook mijn kanker vertaald in iets moois en goeds. Vroeger was ik gesloten en verlegen, nu durf ik recht voor de raap mijn gedacht te zeggen. Vroeger was ik extreem bang voor problemen; ik wou ervan wegvluchten. Nu stap ik op het probleem af en terwijl ik het bij het nekvel grijp, zeg ik 'O, is het dát maar'. Blijkbaar had ik de ziekte nodig om de kracht en zelfzekerheid te vinden die ik nodig heb om mijn dromen waar te maken. Aan het eind van mijn behandeling vroegen de verplegers me of ik mijn persoonlijke bestralingsmasker mee naar huis wou. Neen. Dat soort souvenir hoef ik niet. Mijn herinneringen zitten elders: in mijn attitude. Ik denk: als je kanker hebt overwonnen, dan kan je bergen verzetten. Je neemt de beslissing om écht te gaan leven - heb je zin om te reizen, wel, ga op reis; wil je een dag bij je kinderen blijven, doe dat dan. Met de rug tegen de muur zie je heel helder."

Naar het verhalenoverzicht