LinksSitemapContact
U bent hier:

Sigrid Vanhoutte: 11 dingen die ik nooit had geleerd als ik geen kanker had gekregen

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit het tijdschrift Leven naar de brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.

Sigrid Vanhoutte (34), uit Kontich, kreeg vier en een half jaar geleden Hodgkinlymfoom, een kanker van de lymfeklieren, en noemt zich sinds een dikke twee jaar - liefst dan toch - 'genezen'. Hoe diep ze ook is moeten gaan, haar ziekte bracht haar soms onthutsend nieuwe inzichten: krullen zijn makkelijk; en wachten tot anderen het initiatief nemen is tijdverlies.

Tekst: Annick de Wit (eerder verschenen in Het Laatste Nieuws; bewerking Griet Van de Walle), uit Leven 31, juli 2006

VERGETEN
Iemand zei me ooit: 'Zie je kanker als een project'. Maar daarvoor vond ik de mijne te gortig. Ik heb veel geleerd, maar tweeënhalf jaar ziek zijn sleepte mij ook door zo'n diepe dalen, dat ik er altijd moet bijzeggen dat het hele dikke SHIT is geweest. In grote letters. Het gekke is, van de diepste ellende ben ik blijkbaar al grote stukken vergeten. Het overlevingsmechanisme van elke mens, wellicht. Twee jaar geleden kreeg ik de laatste keer bloed toegediend, en die datum heb ik aangeprikt als mijn genezingsdatum. Maar het genezen is natuurlijk iets wat je geleidelijk doet. En waar je aan moet wennen. Op een dag zeg je niet: 'Ik heb kanker' maar 'Ik heb kanker gehad'. Best raar, jezelf te horen aarzelen: zeg ik er 'gehad' bij of niet?

KRULLEN ZIJN MAKKELIJK
Als ik niet kaal was geworden, had ik nooit geweten hoe het is om een bos krullen te hebben. De typische chemo-krullenbol. Hij stond me leuk en het was supermakkelijk, om het maar eens in vrouwenbladentaal te zeggen. Intussen zijn de krullen bijna verdwenen. Een teken dat de periode van ziek zijn steeds verder achter me ligt, en dat is een fijne gedachte. Kaal zijn heb ik nooit erg gevonden. Het opgezwollen gezicht dat je krijgt door de chemo, des te meer. Ik stond soms drie uur vroeger op om mezelf de tijd te geven te ontzwellen voor ik de straat op moest. Ik sta soms nog vroeger op, maar dan slechts een uurtje, omdat ik af en toe nog vocht vasthou.

LOSLATEN
Het eerste wat ik zei toen ik de diagnose hoorde was: 'Oei, mijn werk.' Ik heb altijd heel graag gewerkt, ik was chef lay-out bij een maandblad en beseffen dat het voor mij even gedaan was, vond ik heel erg. Ik ben erg perfectionistisch. Maar als je doodziek bent, kan je je dat niet permitteren. Ook daarin moest ik leren loslaten. Vroeger legde ik alles voor de kindjes 's avonds klaar - van onderhemdje tot en met de sokjes. Nu pak ik het bovenste van de stapel, met soms de gekste combinaties tot gevolg, en denk ik: 'Mijn kindjes worden daar niet ongelukkiger van.' Een hele evolutie, als je weet hoe ik vroeger was.

KANKER IS GEEN DOODVONNIS
Ik heb geleerd dat kanker geen doodvonnis hoeft te zijn. Een jaar na de eerste diagnose was ik zogezegd genezen. Tot ik, op mijn verjaardag, het nieuws kreeg dat er uitzaaiingen waren naar mijn heup, mijn heiligbeen, mijn schouder. De dokters gaven me dertig procent overlevingskans. Mijn man Erik en ik hebben toen twee weken rondgelopen met de idee dat ik ging sterven. We wandelden alleen maar. Kilometers en kilometers langs de Rupel. Ik koos alvast een foto voor mijn rouwkaartje, zag langs de kant van de weg alleen nog funeraria, wees Erik winkels waar hij leuke kinderkleding kon kopen als ik er niet meer was. Maar toen heb ik beslist dat ik zou leven, zo lang het nog duurde, in plaats van bezig te zijn met doodgaan. Ik begon een nieuwe, loodzware chemokuur, voorbereidend op een stamceltransplantatie. Ik ben erdoor gekomen, vóór maar ook dánkzij mijn kindjes. De kleinste gaf me zoveel kracht, soms alleen al als ik zijn handje mocht vasthouden. Ik dacht: straks neem ik nog te véél energie van dat jongetje, maar dat doe je natuurlijk niet.

NOOIT ALLES GEVEN
'Moeder zijn is alles geven'. Het stond op het rouwprentje van mijn kamergenote, die me zo vaak - ook letterlijk - heeft ondersteund, maar die nu dood is. Een heel lieve vrouw, maar dat zinnetje - blijkbaar haar levensmotto - geldt niet voor mij. Moeder zijn is eerst aan jezelf denken. Eerst zorgen dat jij oké bent, om dan als fitte mama met je kinderen om te gaan - en niet als een gefrustreerde of uitgeputte mama. Ik heb het gedaan, letterlijk op handen en knieën gekropen om een sapje te halen. Daar ben ik mee gestopt. Je geeft jezelf weg. Want kinderen zien wel: mama is ziek maar hun wereldje, met Ketnet en Playstation, blijft gewoon doorlopen en van het jouwe denken ze hetzelfde. Dat is mooi, dat is puur. Maar het maakt dat jij zelf je grenzen moet stellen.

INCASSEREN
Dat sommige uitspraken hard aankomen, stel je gaandeweg vast. Nog tijdens mijn ziekte vroeg een van de kindjes: 'Mama, wanneer ga je nu eindelijk kaal worden?' De schok die dan door je heen gaat, ebt snel weg als je zijn verklaring hoort: 'dat dat toch zou betekenen dat 'de kamentjes' (lees medicamentjes) werken'. 'Je bent tenminste niet dood', zei iemand me later. En oké, dat was ik niet. Maar mijn arts verwoordde het zo: dat leven inderdaad het tegengestelde is van dood zijn, maar dat leven pas leefbaar is als je ook kan genieten. En dat voor wie zo zwaar moet vechten voor zijn leven, bitter weinig te genieten valt.

ECHT ZIN? GEWOON DOEN
Ik heb nooit zo'n overweldigend genot gevoeld als toen ik na de stamceltransplantatie ontslagen was uit het ziekenhuis en bij thuiskomst recht het kinderzwembadje in dook om af te koelen. Mijn voltallige familie was zeer boos op mij want ik was zo superontvankelijk voor ziektekiemen dat die duik alsnog mijn dood had kunnen betekenen. Maar het had zo'n ontzettende deugd gedaan dat ik niet eens spijt heb gehad: het was het beste bad van heel mijn leven. Soms moet je gewoon doen waar je je goed bij voelt. Ik heb ook nooit zoveel terrasjes gedaan als die zomer.

GELUKSVOGEL ZIJN
Soms denk ik, we zouden eerst een kladversie van ons leven moeten kunnen maken. Ik ben erg blij dat ik een tweede kans heb gekregen. Hoe dan ook: ik heb me altijd een geluksvogel gevoeld, ondanks en bij momenten zelfs dankzij mijn kanker. Omdat ik zo verschrikkelijk goed omringd ben geweest met alle liefde en vriendschap en hulp van mijn man, ouders, familie en vrienden en heel zeker ook van mijn baas en collega's. Van die collega's en naaste familie kreeg ik een aanmoedigingsfeest na mijn eerste chemodag, van mijn baas kon ik - zodra dat weer lukte - meteen weer aan de slag. Na de ziekte wordt het stiller rond je, en dat begrijp ik. Daarom moet je zelf uit je kot komen. Ik kon vroeger soms zitten wachten tot Erik of iemand anders het initiatief nam om iets leuks te doen. Nu onderneem ik zelf mijn zaakjes.

LACHEN
Antwoorden op 'Hoe gaat het?' heb ik altijd heel eerlijk gedaan. Eerst de waslijst klachten - moe, pijn, overgeven, niet kunnen liggen, niet kunnen zitten, niet kunnen eten, whatever - en dan: 'maar voor de rest is alles prima'. Blijven lachen helpt. Op een ochtend stond ik in m'n ondergoed voor de spiegel; kaal, opgezwollen en vol donkerrode striemen - je huid wordt erg dun door de chemo en elk krasje laat maandenlang sporen na - en Erik zei heel droog: 'Je ziet eruit alsof je door een camion bent overreden'. We hebben toen samen de slappe lach gekregen, en ik voelde me niet meer triestig.

FEESTEN!
En nu is de vraag die je in veler ogen ziet: hoe 'genezen' is ze nu? Ik wil zelf heel duidelijk als mijn ouwe ik door het leven stappen: ik zou niet graag een soort Jimmy Frey worden, van wie men nog altijd zegt 'Ha ja, dat is die met die kanker'. Ik wil niet meer ontzien worden. Ik heb, ter afsluiting van die zware periode, een groot zomerfeest gegeven voor zo'n honderd dierbare mensen die me geholpen hebben met hun liefde en hun steun. Voor mijn lieve Erik had ik het liefst een standbeeld laten maken, maar ik heb 'm een plaasteren beeld van een koe cadeau gedaan, voor in de tuin.

TERUG NAAR NORMAAL
Ik heb tweeënhalf jaar lang noodgedwongen moeten leven van op een afstand - in een vreemd, ziek lichaam dat me in de steek liet, ver weg van het gewone hectische leven zodat ik zwaar overtuigd was dat ik me nooit meer zou kunnen of willen inlaten met banale dingen. Met oogschaduw of nachtcrèmes of de irritatie van een lange rij aan de supermarktkassa. Ik die zo diep had gezeten, zou alleen nog belang hechten aan wat écht belangrijk is. Maar het filosofische zwakt vanzelf weer af als je je normale leven weer stilaan kan hervatten en dat is maar goed ook. Want het geeft je ook het gevoel dat je er weer bij kan horen. Soms betrap ik mezelf op gedachten als: zij daar heeft wel een dik achterste, maar zij is tenminste nooit ziek geweest. (lachje) Zelfs dat is normaal, denk ik. En normaal wil ik net heel graag zijn.

Naar het verhalenoverzicht