Theaterman Wim van Gansbeke over hoop, schoonheid, liefde en dood
Blaaskanker
De Stichting Kankerregister tekende in 2003 in Vlaanderen 1090 nieuwe gevallen van blaaskanker op. De ziekte komt ruim vier keer meer voor bij mannen dan bij vrouwen en treft vooral mensen van boven de 60 jaar. Over de oorzaken van blaaskanker is nog weinig bekend. Wel kennen we een paar risicofactoren waardoor sommige mensen een groter risico op blaaskanker hebben. De belangrijkste is roken: rokers hebben drie tot vijf keer meer risico op blaaskanker dan niet-rokers. Meer info over blaaskanker staat in de brochure Meer weten over blaaskanker. U kan die lezen en afdrukken op de pagina Publicaties van deze website. Ze is ook verkrijgbaar op tel. 02/227.69.69 of per e-mail: vl.liga@tegenkanker.be (voor- en familienaam, adres en telefoonnummer vermelden + de titel van de brochure).
Schrijf ons!
Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.
Jarenlang was Wim van Gansbeke (70) bekend en berucht om zijn spitante theaterrecensies voor de openbare omroep en de krant De Morgen. Bij het Nederlands Toneel Gent sloeg hij midden jaren 1990 als theatermaker de hand aan de ploeg tot hij de steven wendde naar La Douce France, om daar een bed&breakfast uit te baten en zich te laven aan poëzie en natuurpracht. En dán komt de gesel blaaskanker het leven vergallen: 'Vergallen? Welnee: ik omring me met schoonheid', aldus Van Gansbeke.Wim Van Gansbeke schreef de tekst hieronder in januari 2008. Half februari - net voor het tijdschrift Leven in druk ging - kwam het bericht dat hij overleden was. Hij stierf op 16 februari in Ukkel aan de gevolgen van zijn kanker. Voor Leven scherpte hij kort voor zijn dood nog eens zijn pen.
Tekst: Wim van Gansbeke, bewerking: Marc Peirs, uit Leven 38, april 2008
Begin 2005 sta ik aan het fornuis, zet een stap opzij en krijg een stekende pijn in mijn lies. Ik denk aan een lichte verrekking. Ik, van wie de dokters tot dan toe absoluut niet hadden kunnen leven, denk zoals gewoonlijk: het is vanzelf gekomen, het zal vanzelf verdwijnen. Maar de stekende pijn wordt een voortdurende, lichte irritatie in de lies en is na een maand niet weg. Ik beslis een uroloog te raadplegen in een privéziekenhuis. Een echografie in zijn kabinet reveleert een poliep in de blaas. Een paar dagen later komt de bevestiging: kwaadaardig.
Met een operatie neemt de arts mijn blaas weg én hij boetseert meteen een nieuwe uit een stuk van mijn ingewanden. De operatie duurt zeven uur, na drie weken ziekenhuis ben ik snel weer de oude. Alleen: ik kan mijn penis niet meer hard krijgen. Maar ik maal er niet om, ik heb tussen mijn 19de en mijn 67ste genoeg geneukt.
Die vervangblaas, die gaat alles definitief oplossen, dacht ik. Maar anderhalf jaar later, in maart 2007, is de irritatie in de lies er terug. Meteen ga ik op consult bij mijn chirurg. Een scan geeft aan dat de kanker terug is. Zinnigste oplossing: vervangblaas weghalen. Ik stel de operatie uit om mijn verjaardag te vieren in België, maar als ik terugkom, is de nood hoog. Ik urineer drek en kak urine: er is een gat ontstaan tussen ontlasting en urine-evacuatie. De chirurg verbleekt en opereert ’s anderendaags en catastrophe. Naast de vervangblaas wordt er ook tien centimeter van de al aangetaste darm weggenomen. Ik verlies vijf kilo van mijn normale gewicht van ook al niet meer dan 56 à 58.
Een andere vervangblaas kan niet meer, dus het wordt een urinestoma, of liever twee. Elke drie maanden worden de katheters in mijn beide nieren vervangen. De urine wordt opgevangen in op de buik links en rechts aangebrachte zakjes, om de vier dagen te vervangen. Dat is nog steeds zo.
IJsjes
Ik krijg radio- en chemotherapie. Na enkele dagen veroorzaken de bestralingen oeverloze diarree: overdag tot 25 keer en ’s nachts tot vijf keer op de pot. Ook de chemo komt hard aan. Na de eerste chemo lijd ik een week lang aan misselijkheid en braken. Ik weeg nog amper 40 kilo. Maar een tussentijdse scan toont aan dat de kanker door de bestralingen onder controle is. Gezien mijn toestand ziet de chemotherapeut af van verdere sessies. Tot op vandaag is de chemokuur gestaakt. Scans in augustus 2007 en januari 2008 tonen aan dat er geen enkele kwalijke evolutie is. En daar ben ik behoorlijk gelukkig om.
Er zijn intussen nog meer probleempjes. Wegens infectie van de urinewegen en koorts bij elke wisseling van de sondes krijg ik antibiotica voorgeschreven. Op den duur verdraagt mijn maag die niet langer. Een week gal braken is het gevolg. Ik krijg een hospitalisation à domicile en krijg via een infuus glucose, voeding en antibiotica toegediend. Sinds de operatie is er ook pijn in mijn benen opgedoken, uiteindelijk heeft die zich genesteld in mijn rechterbeen. Het blijkt pure artrose. Ik neem morfine tegen de pijn, maar dat veroorzaakt verstopping en noodzaakt lavementen. Ik word weer enkele dagen opgenomen.
Hield ik mij sinds de operatie aan een heel strikt en hoogst vervelend en eentonig menu (alle vis en vlees gegrild, geen groenten behalve aardappelen, terwijl mijn eigen lijf me zegt van alcohol af te blijven), dan eet ik sinds mijn laatste opname alles wat ik wil en waar ik zin in krijg. En daar zijn – net als bij zwangere vrouwen – af en toe rare goestingen bij zoals ijsjes, waar ik vroeger niets om gaf. Van de slag is mijn levenskwaliteit verbeterd. Ik slaap goed, mijn stoelgang is volkomen genormaliseerd, ik eet bijzonder goed.
Schreeuwend onrecht
Ik heb altijd geleefd alsof ik onsterfelijk was. Ik ging ook door met roken. Mijn chirurg verbood me dat niet, wél wees hij erop dat het hoe dan ook niet goed was. Maar ik ben er de man niet naar om snel dingen te laten vallen die mij het leven veraangenamen, zodoende. Ik ga ervan uit dat ik ook zonder roken blaaskanker had gekregen, maar dat is natuurlijk preken voor eigen kerk.
Bang voor de dood ben ik nooit geweest, ik heb ze alleen en altijd schreeuwend onrechtvaardig gevonden. Mijn situatie heeft mij enkel een bewustzijn van sterfelijkheid bijgebracht en dat aangescherpt. Voor mezelf heb ik daar intussen vrede mee. Maar voor mijn vriendin kan ik me daar moeilijk bij neerleggen. Terwijl mijn kinderen tenminste nog een erfenis krijgen bij mijn dood, zou mijn acht jaar jongere, werkloze vriendin financieel onverzorgd achterblijven. Onder meer daarom zijn we niet zo lang geleden getrouwd. Dan is dat toch allemaal beter geregeld. Als er voor mij één enkele reden was om tot elke prijs te willen overleven en me niet door de kanker klein te laten krijgen, dan was het die wel.
Hoop
Ik ben volslagen ongelovig. Geloof is een gevaarlijke ziekte. Wat dat soort begrippen aangaat, geloof, hoop, liefde, kan ik enkel liefde en hoop gebruiken. Maar liefde is verraderlijk: ik ben er mijn hele leven niet uitgekomen of wat ik liefde noem in wezen niet voornamelijk eigenliefde is. Ik kan wel warm lopen voor een paar zeldzame mensen, vrienden, er misschien voor door het vuur gaan, maar de vraag blijft of ik er wel echt belangstelling voor heb, of mijn belangstelling niet vrijwel uitsluitend naar mijn eigen ego uitgaat, dat gestreeld wordt doordat ik iets voor iemand kan en wil doen. Liefde blijft een heikele kwestie.
Het enige begrip dat bij mij past is hoop. Ik kijk steeds weer uit naar iets nieuws, origineels, of iets ouds maar dat ik op die manier niet kende, waarover mij andere inzichten worden bijgebracht. Dat alles is hoop. Dat is het enige waar ik echt voor ga en teken.
Ik geloof niet dat de ziekte mijn kijk op wereld en leven echt veranderd heeft – en beslist niet fundamenteel. Aandacht voor en geluk in kleine dingen? Dat had ik voordien ook nu en dan, maar te jachtig, te oppervlakkig, te ijl. En niet royaal genoeg. Nu pas geef ik vrienden af en toe een cadeautje. Zomaar. Er is een grotere gulheid dan voordien, maar diegenen die daarvan profiteren zijn in aantal nauwelijks gestegen.
Moe maar scherp
Ik was door de behandelingen vooral zeer vermoeid. Dat is de jongste tijd merkelijk verbeterd. Maar het is nogal duidelijk dat een zo zware operatie, met nadien langdurige en mekaar opvolgende kleine complicaties, permanente darmirritatie, pijnlijke artrose en dies meer, een mens vermoeien. Eerst uitte zich dat in veel slapen. Nu is het veeleer een fysiek gevoel van een lijf dat niet echt mee wil.
Maar mijn grote troost is dat mijn geest ongemeen alert blijft en sinds mijn ziekte nog aangescherpt is, waardoor ik met volle teugen geniet van de schoonheid waarmee ik me omring: ernstige muziek van de voor-middeleeuwen tot vandaag, literatuur, beeldende kunst. Ik koop, beluister, lees en verzamel hopen cd’s, boeken, vooral ook bibliofiele uitgaven en enigszins betaalbare kunstwerken met een voorkeur voor enige abstractie. A la limite is dat gewoon een intensievere voortzetting van wat ik vroeger ook al deed zodra mijn financiën het toelieten.
Die zoektocht naar echte emotie en ongekunstelde schoonheid is sinds mijn ziekte meer dan ooit van belang. En ik hoef er geen publiek oordeel meer over te hebben en daar mijn tijd aan te verspillen. Het werk dat ik deed, kunst- en voornamelijk theaterkritiek, heb ik altijd beschouwd als een tweedehandse bezigheid. Om te kunnen spreken of schrijven had ik de kunstenaar nodig, de tekenaar, schilder, musicus, uitvoerder, schrijver, regisseur, acteur. In kunst die ertoe doet, heb ik altijd een grote bevrediging en dus, ja, troost gevonden. Dat is nu nog intenser omdat ik alle tijd heb en tegelijk allicht nog maar weinig, want door de ziekte is de dood nabijer gekomen dan mij lief is.
Splendid isolation
Vanaf de keukentafel kijk ik uit op een kastanjebos aan de overkant van de straat, waar je zo kan instappen en uren wandelen zonder er ooit uit te komen of op één of ander afgrijselijk chalet te stuiten. Alleen al daardoor gaat de tijd trager. Dat is zeer welkom, helend en troostrijk, evenals het soort splendid isolation dat ik wilde en waarvan ik volop geniet omdat ik – behalve met de tachtigjarige, ongelooflijk aardige en enige nabije buurvrouw – geen zak te maken heb met het waaien en draaien van Mauzac, het dorp hier. De winter kan eenzaam en lang lijken maar er blijven de muziek, de literatuur en de kunst die mij opslorpen.
Mijn luttele Belgische vrienden en ietwat talrijker kennissen zijn erg met mij begaan. Ze schrijven, mailen, bellen of een enkele keer komen ze op bezoek. Zelf komen mijn geliefde en ik tussen najaar en voorjaar steevast - en sinds mijn operatie, als mijn gezondheid het enigszins toelaat - om de twee maanden voor een veertiendaagse naar België. Dan trekken we als nomaden logerend rond van familie naar vrienden, naar kennissen en naar theatervoorstellingen.
Met kennissen, bevriende acteurs of andere theatermakers van wie ik hoor dat ze kanker hebben, neem ik spontaan contact op per brief of mail. Om even te laten weten dat ik aan hen denk, om ze op te beuren, ervaringen uit te wisselen. Overlijdt iemand, dan ga ik zo mogelijk naar de begrafenis of ik schrijf een hommage/condoléance voor hen en hun nabestaanden. Zo is het goed. Met dat begaan zijn, met die attenties klopt het leven weer een beetje. Milder geworden? Nee. Geleerd wat pijn is? Ja. Weten wat troost is? Ook. Als ik niet oppas of niet snel genoeg doodga word ik nog een goed mens!



