U bent hier:

Kanker in de familie (3): Vera verloor haar man Marcel: ‘We waren samen ziek’

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.

Dag tegen Kanker

Op donderdag 16 september organiseert de Vlaamse Liga tegen Kanker (VLK) voor de elfde keer haar Dag tegen Kanker. Net als bij de twee vorige edities slaan de VLK en de ziekenhuizen de handen ineen om van de Dag tegen Kanker een dag van de kankerpatiënten en hun familie te maken. Dit jaar geeft de Dag tegen Kanker speciale aandacht aan de naaste omgeving van de kankerpatiënt. Meer informatie over de Dag tegen Kanker en een overzicht van de deelnemende ziekenhuizen

Longkanker

Er zijn grosso modo twee grote soorten longkanker, afhankelijk van hoe de cellen er onder de microscoop uitzien: kleincellige en niet-kleincellige. Marcel had kleincellige longkanker. Meer informatie over longkanker

Waar vindt u hulp en informatie?

Vera Wagner. Foto: An Nelissen Marcel werd zes jaar geleden ziek. De diagnose volgde vlug: Marcel had longkanker. Eén jaar nadien overleed hij, op 66 jaar. ‘We hebben dat jaar intens met elkaar geleefd', vertelt Vera nu, vijf jaar later.

Tekst: Els Put, foto: An Nelissen, uit Leven 47, juli 2010

‘Ik heb vaak gedacht: dit is te mooi, wat Marcel en ik hebben. Dat kan niet blijven duren. Het mocht ook niet blijven duren. Ik mis hem. Elke dag.'

‘Ik voelde dat het fout liep met hem. Hij werd kort van adem, kon de kleinkinderen niet meer voorlezen. En hij verslikte zich zo vaak. Eén keer heel erg toen we op een uitstap waren met vrienden. Hij kreeg een longontsteking. De huisarts stelde een scan voor, "om gerust te zijn". Maar zo werkte het niet. De scan was niet goed, er zaten verschillende vergrote klieren in zijn longen en er volgde een biopsie (de verwijdering van een stukje weefsel om het in het laboratorium op kankercellen te onderzoeken, red.). De dag dat we de uitslag moesten halen, zijn we in ons bed blijven liggen, bibberend tegen elkaar, tot het moment dat we moesten vertrekken. Wat ik al vermoedde, drong toen pas door bij Marcel: hij had longkanker.'

‘Hij is net een gewond dier als hij ziek is, hij trekt zich terug in zijn hol en wil niemand zien. Er niet over praten. Met rust gelaten worden. Ik ben anders, ik moet kunnen praten. Ik wou zijn ziek zijn ook niet verborgen houden voor onze twee zonen, hun gezin en onze vrienden. Ik heb het nodig om te kunnen vertellen, dat helpt me de dag door te komen, om alles te verwerken.'

‘Marcel kreeg een port-a-cath (een poortkatheter of poortje naar een ader, red.) en de chemo startte. De dokters zagen hoe Marcel zich isoleerde en vroegen de psychologe van het ziekenhuis om met hem te praten. Marcel had daar geen boodschap aan. Maar ik wel en vroeg of ik mocht komen. Die gesprekken hebben me erg geholpen. Om moeilijke situaties door te praten, om alles waar ik mee liep een plaats te geven. Zoals: Marcel en ik gingen al jaren tennissen. Dat was vooral Marcels hobby sinds zijn pensioen, hij ging wel elke dag even langs op de tennisclub en had er veel vrienden. Ik ging meestal één keer in de week. Maar hij kreeg te weinig lucht, tennissen lukte hem niet meer en hij moest afhaken. Toch wou hij absoluut dat ik bleef tennissen. Voor mij wrong dat: ik gaan sporten terwijl hij dat niet meer kon? Ik bij onze vrienden zijn en hij niet? Dat voelde zo verkeerd. Bij Bieke, de psychologe, hebben we dat samen doorgepraat. Dat was makkelijker dan het hem rechtstreeks vragen. Hij wou dat mijn leven doorging, ik hoefde me niet schuldig te voelen. Ik bleef tennissen, voor hem. Nu tennis ik nog altijd. Het was iets wat we samen hadden, dat wil ik niet kwijt.'

Niet bij de pakken neerzitten

‘Hij kon zoveel niet meer: vroeger hielp hij me met poetsen. Hij was ook een prima klusser, maar dat lukte ook niet meer. Voor hij ziek werd, hadden we verbouwingen gepland. Ik deed nu alles zelf maar dat vond ik niet erg. Door bezig te zijn - het behang van de muren trekken en het vasttapijt van de vloer - kon ik mijn gedachten verzetten, wat afstand houden. Het werd een drukke tijd.'

‘Ik ben voor elke chemo, voor elk onderzoek en elke behandeling mee naar het ziekenhuis gegaan. Ik kwam vanaf het begin van het bezoekuur en bleef tot 's avonds. Uren zat ik naast hem in bed, wij twee tegen elkaar aan. Ook dat hielp me, samen met hem mogen zijn. Want ik was bang, bang dat we het niet zouden redden. En bang dat ik het nadien alleen zou moeten redden. "Gij kunt dat", zei hij dan. Daar was ik nog niet zo zeker van. En ik wou het helemaal niet!'
‘Ik probeerde nog zo veel mogelijk te organiseren: de lange fietstochten van vroeger werden uitstapjes met de auto, we nodigden vrienden uit, gingen op restaurant, de kinderen en kleinkinderen kwamen zo vaak ze konden. Ik wou niet zomaar bij de pakken neerzitten maar de tijd die we hadden goed invullen. Ik hield me vast aan elke strohalm. Elke dag zei ik wel een keer dat ik hem zo graag zag. Als Marcel een dag wat beter kon ademen, leek het allemaal een boze droom. Maar als ik eerlijk was, besefte ik wel dat ik er weinig aan kon veranderen.'

Hij is bij mij

‘Op het einde van de zomer ging het plots slechter met hem. Alle hoop vervloog. We beseften dat het tijd werd om een afscheid voor te bereiden. Dat hebben we doorgepraat: welke kerk, welke viering, een crematie of niet...? Bieke bracht ons in contact met een pastoraal werkster en hielp ons keuzes maken. Het werd een begrafenisdienst in een kerk in de buurt met nadien een crematie. Marcel had lachend opgemerkt: maar de kinderen moeten onthouden waar ik uitgestrooid word, zodat ze jou daar later ook kunnen brengen. Dan zijn we weer samen. Bieke had nog een beter voorstel: bewaar de urne van Marcel en vraag de kinderen om jullie later samen uit te strooien. Marcel is hier nu bij mij. Kijk, daar staat zijn urne.'

‘Zijn laatste dagen wou hij niemand meer zien, alleen zijn kinderen en kleinkinderen. Wanneer zijn vrienden kwamen, begon hij te wenen. Hij wou zijn zwakte niet laten zien. Voor zijn vrienden moeilijk te begrijpen, maar zo kende ik hem wel. Ik heb die vraag gerespecteerd. Ook al wisten we dat zijn tijd kort werd, toch kwam het moment van zijn overlijden nog onverwacht voor mij. We waren allemaal hier, onze zonen en hun gezin. We konden het even niet bevatten en hebben nog enkele uren gewacht voor we de verpleegkundige van het palliatief team belden.'

‘Ik wou mee doodgaan. Mijn wereld sloot zich. Marcel en ik hadden een heel intens jaar doorgemaakt waarin hij mij moest achterlaten en ik hem moest loslaten. Hoe kon ik verder zonder mijn partner waar ik altijd alles tegen kon zeggen? Ik voelde me niet meer compleet, geamputeerd. Die eerste tijd na zijn overlijden leefde ik in felle ups en downs. Ik moest voortdurend bezig zijn, dingen doen. Ik bleef op gesprek gaan bij Bieke. Dat had ik nodig. En ik stapte in een rouwgroep: acht mensen met elk hun eigen verhaal en verdriet. We kwamen tien keer samen rond verschillende thema's en kregen regelmatig huiswerk mee. Dat maakte me stilaan wat rustiger. Maar mijn gemis is nog altijd even groot.'

Kanker in de familie: gesprek met psychologe Bieke Maes

Naar het verhalenoverzicht