LinksSitemapContact
U bent hier:

Zanger Jan De Wilde praat na 40 jaar over de dood van zijn moeder

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit het tijdschrift Leven naar de brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.

'Mijn mama zal niet komen, mijn mama is lang dood; ze ligt al lang beneden, in de eerste sneeuw'. Zo gaat het in De eerste sneeuw, een van de prachtliedjes waarmee chansonnier Jan De Wilde (62) onsterfelijk werd in Vlaanderen. En toch: het lied is niet van hém: 'Over mijn moeder een song maken, dat zou ik nooit doen'. Veertig jaar na haar dood kijkt Jan De Wilde node terug op 'dat moment van totale eenzaamheid'.

Tekst: Marc Peirs, uit Leven 31, juli 2006

'Ik woonde alleen thuis met ons moe. Op een middag, na het bezoek van mijn zus en schoonbroer, staat ze over tafel gebogen. Ze speelt met een ballonnetje dat hun kleine achtergelaten had. Ze blijft maar met dat speeltje bezig. Ik vraag, tot twee keer toe, of er iets scheelt. Moeder zakt in elkaar. Ik haal hulp bij een buurvrouw die telefoon had. Zelf hadden we die niet, in die tijd, in 1967. De buren lopen te hoop om te helpen. De 900 wordt gebeld. De ambulance komt. In het ziekenhuis constateert men een uitgezaaide kanker in haar borst en in haar hersens. Moe was ten dode opgeschreven.'

'Moeder had een tijd voordien "iets" gevoeld in haar borst maar ze had dat verzwegen om de kinderen niet ongerust te maken. Zo heeft ze het later verteld aan mijn oudste zus. Ik vermoed dat ze het gewoon niet onder ogen wou zien. Angst, vluchtgedrag. Ze heeft geen enkele medische bijstand gezocht. Tot die dag dat ze neerzeeg.'

'Na enkele dagen werd ze uit het ziekenhuis ontslagen. Er was toch geen hulp meer mogelijk. In die tijd werden mensen aangespoord om thuis te sterven. Er was geen sprake van palliatieve zorg, toentertijd. Wij, de familieleden, stonden in voor de verzorging.'

'Zes maanden heeft ze nog geleefd. Om beurten waakten we bij haar sterfbed: mijn twee zussen, mijn schoonbroer en ik, die in mijn laatste jaar zat van de schildersklas van Sint-Lucas in Gent. Fysiek is dat haalbaar; je lost elkaar af. Maar mentaal is de druk enorm. We moesten én het verdriet verwerken én moeder verzorgen. Geen makkelijke combinatie. Dokters en verplegers krijgen daar tips en opleidingen voor, zodat ze de last van zich af kunnen zetten als ze de deur achter zich dichttrekken. Hoe graag ze hun patiënten ook zien. Wij als familieleden hadden die mogelijkheid niet. We waren verpleger en rouwend kind in één persoon.'

'Toen moeder stierf. Ik was alleen met haar. Het was tegen de middag aan. Mijn zus was even boodschappen doen. Ik wist het, zag het: moeder was aan het sterven. Hoe lang duurde dat? Tien minuten, hooguit een kwartier? Maar dat was het langste en akeligste kwartier uit mijn leven. Een moment van totale nietszeggendheid; je voelt je (zwaait met de armen) alsof je echt oplost in het universum. Geen angst, neen, ook geen kwaadheid. Het is. van een opperste eenzaamheid. Het is een gevoel dat ik nooit eerder had gekend en sindsdien niet meer heb ervaren. Hoewel. door erover te praten kan ik het terug oproepen. Maar ik vermijd dat. Een mens wil toch liever gelukkig zijn (snelle glimlach).'

'Ik had een goeie, gezonde relatie met moeder. Ik was een beetje opstandig in mijn puberteit, en zij was jaloers op het feit dat ik een vriendin had. Toen ze Veerle eens een boek cadeau gaf, stond er als opdracht:" Voor de vrouw die mijn zoon komt stelen" (lacht). Zo gingen wij met elkaar om: plaagstoten uitdelen, beetje lacherig jennen, een zachte vorm van uitschelden als verpakking voor tederheid. Ook tijdens haar ziekteproces bleef dat de stijl van omgang. Ik weet dat ik kribbig ben als ik wakker word. Op een dag zei moeder, die me vanuit haar ziekbed nurks zag rondsnuffelen: "Ja, ons Jangsken heeft het moeilijk". Toen voelde ik me wel vreselijk beschaamd. Ik, last van een ochtendhumeur, en zij, stervend aan kanker.'

'Dat ironische in de omgang, dat verpakken van gevoelens in sarcasme, onze familie was daar heel extreem in. Maar die taal wérkt niet als je tegenover ziekte en dood staat. Er was dan ook geen manier om afscheid te nemen. Ik kon moeder niet gaan vastpakken of knuffelen. Dat zou ze flauw hebben gevonden (lacht).'

'Ook met mijn zussen en schoonbroer bleven de gesprekken down to earth. Over het ziekteverloop, over de taakverdeling: goed. Maar over afscheid nemen, filosofische of metafysische onderwerpen? Neen. Dat was erover. Wel heb ik mijn oudste zus enorm zién veranderen. Of dat direct met de dood van moeder te maken heeft, is moeilijk te zeggen, maar ze is véél wijzer geworden. Toleranter ook. Haar houding tegenover homo"s, bijvoorbeeld, is veel opener geworden.'

'Voor mij was de dood van moeder in elk geval een extreem belangrijk moment. Vooral omdat ik toen met haar alleen was. Mochten er familieleden hebben bijgezeten, dan zou het anders geweest zijn. Je kijkt naar elkaar, je reageert. Je bent niet zo alléén.'

'Meteen was ik wees. Vader was al veertien jaar eerder gestorven. Darmkanker. Twee keer was hij geopereerd, twee jaar heeft hij met de ziekte geleefd. Vandaag zou hij hoogstwaarschijnlijk de ziekte overwinnen. De medische wetenschap staat immers veel verder dan toen, in 1953. Ik was negen. Ik sliep nog in de kamer van mijn ouders. Op een ochtend - het was nog donker, in november - maakte moeder me wakker: "Jantje, vader is gepasseerd." Meteen ging een buurjongen per fiets de buurt en de familieleden verwittigen dat mijnheer Léon gepasseerd was.'

'Over mijn vader heb ik een kort liedje gemaakt: Dag mijnheer De Wilde, een mijnheer die wou dat zijn zoon ingenieur werd, maar het zoontje werd zanger. Toen ik het lied de eerste keer zong, in mijn dorp Aaigem, kreeg ik een krop in de keel. Dat mag natuurlijk niet, ontroerd worden door je eigen lied. Later leerde ik er mee omgaan. Ook door het verstrijken van de tijd.'

'In De eerste sneeuw staat een verwijzing naar een overleden moeder. Maar dat liedje is van Lieven Tavernier. Zelf heb ik nooit een lied over moeder durven maken. Ik zou het ook niet kunnen. In mijn liedjes vermijd ik de grote, directe emoties. Liever ga ik voor ironie en sarcasme. Johan Anthierens verwoordde dat ooit als "tranen verpakt als lach".'

'Vader en moeder heb ik aan kanker verloren. En toch ben ik zelf niet bang voor de ziekte. Mijn omgeving en geliefden wel. Na lang aandringen heb ik me laten onderzoeken op darmkanker. Ik vind dat een verantwoordelijkheid tegenover de mensen die je graag ziet. Ook moeder had die verantwoordelijkheid. Hoe is ze daarmee omgegaan? Wat dácht ze daarover? Ik stel me die vragen liever niet.'

Naar het verhalenoverzicht